Groupe du Onze Novembre Elfnovembergroep Nederlands

Van den Grooten Oorlog : fragments

Marie Beck

Marie Beck

Après les uhlans, d'autres soldats   

Louise Parmentier

“Ik roerde eiers voor de soldaten”

J'ai perdu mes parents très tôt. Mon père est décédé quand j'avais dix ans, et ma mère est morte huit ans plus tard. J'avais un frère, qui était mort cadet de deux ans. Quand la guerre a éclaté, j'avais dix-neuf ans. Nous avions une ferme à Wulvergem, mon frère cadet, un oncle vieux garçon, et moi. Pendant toute la guerre, on est resté ensemble, tous les trois. J'avais trois autres frères plus âgés, mais ils avaient dû s'engager comme soldats, tous les trois.  Au début de la guerre, on a vu passer toutes sortes de soldats. Des Allemands, des Français, des Anglais. Des Belges aussi. On avait baucoup de poules, mais on ne pouvait plus vendre nos oeufs ni les fourguer à un revendeur. Beaucoup de gens se sont enfuis quand les bombardements ont commencé. J'ai fait des oeufs bruoillés pour les soldats. Ils avaient besoin de nourriture. Il valait mieux donner la nourriture que la laisser pourrir. J'ai cuit des oeufs pour les Belges, pour les Français et pour les Anglais. Et aussi pour les Allemands. C'étaient nos ennemis, mais qu'est-ce qu'on pouvait faire d'autre ? Au fond de moi, je les détestais, mais si j'avais dit non, ils se seraient servis eux-mêmes. On n'y pouvait rien. Certains qui s'étaient rebellés avaient été déportés par les Allemands. Mis dans un train. Vers où? Et alors, ils étaient bien avancés? 

Marie Beck (2)

“Itchecos”

De koks van d'officieren waren in de keuken. Ik zie ze daar nog staan in de bakkeuken. Ik en mijn moeder waren binnen in de herberg. We hadden maar de herberg meer voor ons om in te wonen. Al d'andere plaatsen gebruikten zij.

We waren aan 't naaien en aan 't stoppen. Vader was bezig met de Engelsen in de bakkeuken. En het was van ‘yes’ en ‘no’ en ‘dad’. Ze zeiden ‘dad’ tegen vader. ‘Yes dad’. Al met een keer vader zegt, wij hoorden dat, ‘You compris ?’ ‘Yes, dad’ en hij had nog niets gezegd. ‘Germans itchecos,’ de Duitse zijn luizen. ‘English kan kraken. You compris?’ ‘Say it again, dad.’ Zeg het nog een keer. Hij zei altijd "kraken". 't Ander verstonden ze, maar kraken ...

Al met een keer, hij roept. ‘Marie, kom een keer hier. Zeg jij dat een keer, ze verstaan het nooit.’ Ik zeg: ‘ga ik kunnen?’ ‘Ja maar, ja maar,’ zegt hij,’ 't geen dat je gaarne zegt, dat kun je wel. Zeg dat een keer’

Zo, ze staan met drie, vier rond mij in de bakkeuken. En ik doe het uiteen en ik zei dat de Engelse de Germans konden "killen". Kill was dooddoen. ‘Germans are itchecos and English can kill them.’ Al met een keer, ze verstonden het. En lachen dat ze deden! Yes, dad, we kunnen ze kill’n. Yes, wait maar. Ze zeiden, wacht maar. 's Avonds in de herberg als d'andere soldaten toekwamen, dat deed heel de ronde. ‘Tell it again, dad.’ Vertel het nog een keer.

Joseph Legrand

“Goed zijn voor de soldaten”

TIk was zestien jaar toen de oorlog begon. Er sliepen Engelse soldaten op onze hofstee. In de schuren, in de stallen, en in kleine puntige tenten in de wei. Ik was natuurlijk altijd rond de soldaten, bij de veldkeuken, bij de oefeningen. 't Is niet te geloven hoe rap dat je een mondje Engels leerde. Chips en eggs, dat waren frieten met eiers. Onze hennen legden eiers in de schuur en die eiers rapen, dat was mijn werk. Die schuren waren opgetrokken met leemaarde en de ratten maakten daar gaten in. Op een dag ga ik eiers rapen in de schuur. Op het moment dat ik mijn hand uitsteek om eiers te pakken, komt er door een rattengat een andere hand ... ook om eiers te rapen. Ik loer door een ander rattengat, en ik herken een van de Engelse soldaten. Vier eiers had hij gepakt. Ik laat mijn werk vallen en ik ga naar binnen, naar vader. ‘Vader,’ zei ik, ‘de soldaten stelen eiers, misschien stelen ze nog andere dingen ook ... Moet ik het zeggen aan een officier?’ ‘Neen,’ zegt vader, ‘neen, je moet dat niet zeggen.’ ‘Manneke,’ zei hij, ‘jij weet nog niet wat het is van soldaat te zijn. Een soldaat is een man gelijk jij en een ander. Als hij eiers pakt, ‘t is omdat hij gaarne een ei zou eten en geen geld heeft om er te kopen. Laat hem lopen.’ Mijn vader was een goed mens. Hij had de oorlog gedaan in 1870. Hij wist wat het was. In 't jaar '17 moest ik ook soldaat worden. Drie maanden aan de Marne. We lagen daar ook op een hofstee. In een schuur. Dan heb ik ook verstaan wat vader bedoelde.

Jules Leroy

“Rattenspel”

We zaten in de tranchees bij Diksmuide. Wij aan deze kant van de IJzer en de Duitsers op de andere oever. Je moest zeer voorzichtig zijn bij de schietgaten. Dag en nacht. Als je ‘s nachts schiet, dat geeft een klein straaltje vuur en ze zien dat aan de overkant. En bij dag, bijzonder bij klaar weer, zien ze als je met je hoofd voor het gat komt. Als je je weer wegtrekt, schijnt het daglicht erdoor. Bij dag keken we met periscopen. Ze schoten dan je periscoop in stukken, maar het enige wat je kon hebben was glas in je aangezicht. Zij zagen het van ons, maar wij zagen het ook als zij schoten. Er waren daar ongehoord veel ratten in de tranchees. Een echte plaag. Op een voormiddag was er een rat die gedurig uit en in onze tranchee liep langs een schietgat. De Duitsers peinsden waarschijnlijk dat een van ons zijn hoofd uitstak voor het gat en dan weer wegtrok. Ze schieten en die rat valt dood in onze tranchee. Er was bij ons een jongen van Koolskamp en dat was een superieur in 't smijten van handgranaten: hij kon altijd tien meter verder smijten dan gelijk wie. De rat rolt voor zijn voeten, hij pakt ze bij haar staart en hij bekijkt ze. ‘Jullie hebben ze geschoten, je krijgt ze terug,’ zegt hij, ‘hopla!’ en hij smijt ze terug. Ze arriveert bij de Duitsers, maar kort daarna was ze daar weer. En zo deed de rat wel tien keer de weg heen en weer. Plots zei die jongen: ‘We gaan ze een keer een andere rat geven!’ Hij smeet een granaat. Dan is het begonnen. Van granaten werden het bommen en van bommen werden het torpilles. Op ‘t einde van 't spel hadden we negen doden … En hoe het was aan de andere kant, dat weet ik niet. Ik weet wel nog dat er een heel stuk van onze tranchee was weggeslagen.

Jules Leroy (2)

't Was gedaan

We lagen aan 't kanaal van Landegem. Ik zat in de kelder van een dokter. Ik heb nog nooit een betere schietpositie gehad. Dat keldergat kwam een beetje hoger en ik kon heel het kanaal zien. En de oever aan de andere kant, waar de Duitsers zaten. Almeteens begonnen de klaroenen te blazen aan alle kanten. We zeiden: ‘Wat is dat? Wat wil dat zeggen?’ En ‘t was… het einde. Voor ons kwam dat zo onverwacht. Ja, er waren misschien wel hoge pieten die dat wisten, maar voor ons was het totaal onverwacht. Eerst waren we verbouwereerd. Tot we schuin vóór ons Duitsers naar boven zagen komen. Ze blaasden ook langs hun kant van de vaart. Tot ze allemaal bovengekomen waren. Dat is onbeschrijfelijk! 't Was gedaan! We hadden het overleefd! We hadden al gezegd: ‘Dat is voor de rest van ons leven zeker, die slenter.’ Miserie, honger lijden en koude lijden en dagelijks de dood voor ogen. Meer dan vier jaar. En dan was het zo bruusk gedaan.’ Onze vreugde was ongelooflijk groot. Maar drinken konden we niet. We hadden niets. En als de eerste vreugderoes voorbij was, hing er een zekere droefheid omdat er ook die laatste dagen, tot de laatste uren en zelfs de laatste minuut nog jongens gesneuveld waren of gekwetst. Mijn kozijn Jules Callewaert van Boezinge is gesneuveld de 11e november te 11 uur. Op de brug van Balgerhoeke. Hij was de oudste zoon van mijn moeders zuster.

André Houwen

“De mus van de Tsjing”

Mijn vader en ik waren een huis aan 't opkuisen niet ver van de Zevekote. Daar waren ook Chinezen. Een van die Chinezen had een mus tam gemaakt. Met een stokje. Maar wij wisten dat niet. Wij hoorden wel dikwijls die kerel fluiten en dan kwam die mus. Na een dag of vier waren we dat gewoon. Almeteens - we waren ons materiaal op een karretje aan 't laden om weg te gaan - kwam die mus daaruit. ‘Kijk,’ zegt mijn vader, maar er waren geen Chinezen te zien. Als we aan de Zevekote waren, zei mijn vader: ‘Die godverdomse smerige mus,’ en ze liet haar pakken. ‘We zijn daar niets mee,’ zegt hij en hij smijt ze dood. Maar nondedju, we hebben daar kort spel moeten maken. Als de Chinees zag dat zijn mus dood was, was hij zodanig kwaad. En wij waren ook spijtig, maar we konden niets uitleggen aan hem. We verstonden mekaar niet, hé. Ja, daar hebben we lang spijt van gehad ! Hadden we geweten dat het zo'n tam beestje was ! Wij dachten dat het een gewone mus was. Maar na een dag of drie was die Chinees terug. Met een nieuwe mus ! Ze konden zich daar een hele dag mee bezighouden.

Marcel Dequirez

“Ik telde er vijfentwintig”

Als de oorlog gedaan was, wilden we naar Kemmel terugkeren. We kwamen eerst om alles te bekijken. Maar je had dat eens moeten zien! Zoveel lijken die daar nog lagen, en paarden die dood waren. Ik heb eens al stilstaan geteld hoeveel dode soldaten ik zag liggen. Het waren er vijfentwintig.

Julie Cattrysse

“De mensen hielpen mekaar.”

De mensen kwamen de ene na de andere toe en ze zetten nu wat en dan wat. Mensen die voor de oorlog hier gewoond hadden en mensen die van verder kwamen, zoals wij. Boeren van hier, die naar Frankrijk gevlucht waren en die terugkeerden naar hun hof, en boeren van elders. Sommigen kwamen toe en ze hadden niets mee. Ze zochten staken en platen en ze sloegen ze aan mekaar en na twee, drie dagen hadden ze een kotje om in te wonen. Twee stokken in de grond en een plank erop en ze konden zitten. Ze hadden een emmer en een pot om eten te koken. En als er plaats was om een bed te zetten, gingen ze een bed kopen. Hoe ze sliepen de nachten daarvoor, weet ik ook niet. Maar het was gelukkig niet koud als ze hier toekwamen. De mensen hielpen mekaar. Als ze ergens iets gezien hadden, hout om te timmeren of platen, zeiden ze aan anderen, die aan ‘t zoeken waren: ‘Ga maar naar daar, daar liggen nog platen en ginder hebben barakken gestaan. Je gaat daar nog schone stukken hout vinden.’ En die anderen haalden het en droegen het op hun rug naar waar ze het wilden hebben. 't Was aftrekken en breken en kraken. Bij de Vierstraat en bij De Linde stonden schone barakken waarin vreemde soldaten - Chinezen geloof ik - gezeten hadden. De ene trok een venster uit, de andere brak een deur af en de barakken waren heel geschonden. Hadden de mensen ze gehaald gelijk ze waren, op hun hele. Dat ware beter geweest.

Julie Cattrysse (2)

“Briekebakkers hadden geen goede naam.”

In het jaar 1919 zijn we van Aartrijke naar de frontstreek verhuisd, naar Kemmel. We waren thuis met een hele bende jonge gasten en daar was werk voor iedereen. Alles lag plat in de frontstreek. Dat moest allemaal weer opgebouwd worden. Ze hadden veel bakstenen nodig. We vonden werk in een steenoven als briekebakkers. Dat was zwaar werk. Met een contract. Als het contract uit was in de zomer van 1920, waren we allemaal blij. Zij die obusputten moesten vullen, waren weg van ‘s ochtends om acht uur en om vier uur gingen ze naar huis. Wij werkten van ‘s ochtends om vijf uur tot ‘s avonds negen uur en we hadden maar half zoveel verdiend als zij. We hadden nooit kunnen geloven dat moeder hier zo graag zou wonen. Vader was seizoenarbeider geweest in Frankrijk, die was het trekken gewend, maar moeder... Ze was nooit van haar dorp weg geweest. Maar ze kon hier werken, kappen en kleunen. En dat deed ze graag. 't Was een harde werkster. 't Was al effen doen en delven. Maar één ding is jammer: toen we hier zes weken waren, is mijn jongste zusje doodgegaan van de kroep. Eerst had een andere zuster van mij de kroep. We gingen niet naar de dokter - er was toen al een dokter in Kemmel - we dachten dat het een zere keel was. Ze kon niet naar school gaan. De pastoor kwam binnen en hij zei: ‘Gaat dat hier zo gaan met die briekebakkers, dat ze hun kinderen niet naar school zenden?’ Briekebakkers hadden geen goede naam. Zegt mijn moeder: ‘Ze is ziek, zie ze daar zitten.’ ‘Wel,’ zegt de pastoor, ‘ben je naar de dokter geweest? Ze heeft de kroep.’ En de pastoor buiten en naar de dokter. De dokter kwam, het was de kroep, maar hij had geen medicamenten. Mijn broer moest er gaan halen naar Poperinge. Eigenlijk moesten we met zeven een inspuiting krijgen, maar ze hadden er maar twee. De dokter zei dat mijn zuster naar het hospitaal moest in Houtem bij Veurne, maar daar zeiden ze: ‘We hebben er al genoeg met slechte ziekten.’ Ze wilden haar niet. De zondag erop had mijn kleine zusje het ook en de vrijdagavond is ze ervan doodgegaan. Mijn moeder heeft voor de rest van haar dagen daarvan veel verdriet gehad. Zij is dood in het jaar 1932.